Vanuit de behoefte aan kennisdeling tussen pionierende psychologen in de acute GGZ is een landelijk netwerk Psychologen Acute GGZ ontstaan. Het netwerk begon als een informeel initiatief, met als doel “acute psychologen” met elkaar in contact te brengen. Al snel bleek dat deze verbinding van grote waarde was en dat hieraan veel behoefte bestond.
Psychologen herkennen veel van elkaars vragen en uitdagingen, ondanks verschillen in setting of organisatie. Het netwerk biedt ruimte voor het uitwisselen van praktijkervaringen, literatuur en projecten, het organiseren van intervisies, het delen van interventies en werkwijzen en het bevorderen van de rol en zichtbaarheid van psychologen in de acute GGZ.
Met de groei van het netwerk kwam ook de behoefte aan een gezamenlijke visie en inhoudelijke positionering naar voren. In samenwerking met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) werd in januari 2026 de werkgroep Acute GGZ opgericht.
De werkgroep richt zich onder andere op het formuleren van een gedeelde visie op de rol van de psycholoog in de acute GGZ, het beschrijven van kerntaken en benodigde competenties, het bijdragen aan richtlijnen en zorgstandaarden, het verzamelen en delen van praktijkervaringen en het vertegenwoordigen van psychologen binnen landelijke overlegstructuren.
Binnen het landelijk netwerk komt een consistent beeld naar voren. Op verschillende plekken in Nederland zijn psychologen al actief binnen de acute GGZ. Zij dragen bij aan diagnostiek, kortdurende interventies, risicotaxatie, systeemgesprekken en het versterken van het behandelklimaat. Hun inzet lijkt te zorgen voor meer aandacht voor betekenisgeving en context, naast de meer medische benadering.
Tegelijkertijd signaleren psychologen terugkerende knelpunten, zoals onduidelijkheid over rol en verantwoordelijkheden, weerstand binnen organisaties, beperkingen binnen huidige zorgstandaarden en onzekerheid over financiering en juridische kaders. Met name de inzet van psychologen bij crisisbeoordelingen laat zowel de meerwaarde als de spanning zien tussen praktijk en bestaande richtlijnen.
Deze bevindingen onderstrepen dat de praktijk zich al ontwikkelt, maar dat verdere verduidelijking en structurele inbedding noodzakelijk zijn.